Historische Vereniging Ameide en Tienhoven
 

home > themas > literatuur > j.g.j. van booma

 

 

 


J.G.J. van Booma

Door J.G.J. van Booma is in 1968 een inventaris opgesteld van de archieven der Hervormde Gemeente Ameide en Tienhoven. In deze inventaris is een hoofdstuk gewijd aan de geschiedenis en de archieven van deze gemeente. De tekst van dit hoofdstuk wordt hierna gegeven.

A L G E M E E N

Voor en tijdens de reformatie. Voor de reformatie waren Ameide en Tienhoven twee afzonderlijke parochies. Blijkens de gehouden kerkvisitaties[1] telde de parochie Ameide onder pastoor Arnoldus Blok in 1526 circa 350 communicanten. Er was een vicarie van het H. Kruis[2]. Uit het vrij hoge aantal van 30 personen, dat zich uit deze plaatsen voor de Raad van Beroerten had te verantwoorden, blijkt, dat de hervormingsgedachte er goede weerklank had gevonden. Tot de ter dood veroordeelden behoorde ook de drossaard van Ameide, Egbert Bevelant[3]. Ook zekere Jan Jansz. was bij de geëxecuteerden, het is niet na te gaan of deze persoon identiek is met de vermoedelijk laatste pastoor van Tienhoven, die dezelfde naam droeg[4]. Op Goede Vrijdag van het jaar 1567 werden door niet nader aangeduide personen uit Vianen de Tienhovense klokken geroofd, welke nog hetzelfde jaar terugkeerden "tot continuatie van den dienst Gods achtervolgende d'oude religie"[5]. Vermoedelijk heeft de Hervorming in Ameide en Tienhoven, evenals in Meerkerk omstreeks 1578 definitief haar beslag gekregen[6]. De vermoedelijk eerste gereformeerde predikant van de gecombineerde gemeente Ameide - Tienhoven, Henricus Steenwyck alias Tienhoven, wordt voor 't eerst genoemd in de acta van de classis Gorinchem van 3 (?) november 1579.

Classicale indeling. De gemeente Ameide en Tienhoven behoorde tot 11 november 1642 tot de classis Gorinchem, daarna tot 1951 bij de classis Gouda Sinds de inwerkingtreding van de Nieuwe Kerkorde  behoort de gemeente tot de classis Gorinchem (ring Vianen). Van 1638 tot 1642 maakte de gemeente deel uit van de niet officieel erkende classis Vianen[7].

Kerkelijke bevolking. In 1686 telde de gemeente circa 200 lidmaten, welk aantal in 1758 was opgelopen tot 226; in 1826 en 1911 telde de gemeente respectievelijk.404 en 442 leden. Merkwaardig is het vast te stellen, dat terwijl het zielenaantal van 1826 tot 1911 met 41,41% steeg, het aantal lidmaten over dezelfde periode met slechts 9,41% groeide. In 1968 bedroeg het aantal lidmaten circa 450.

Kerkgebouw Ameide. Het kerkgebouw van Ameide is een baksteenbouw met driebeukig schip en een 5/10 gesloten koor. De ouderdom van het door de “Voorloopige Lijst”[8] op circa 1400 gedateerde koor is blijkens een vermelding in een oude legger van de kerkfabriek[9] nauwkeurig vast te stellen (". . . . . . . . . . doemen dat choer ter amey tymerde int jaer ons heren duysent driehondert een ende tzestich")

Bij de Franse inval in het jaar 1672 werd het kerk gebouw, evenals de pastorie zwaar beschadigd. Door de persoonlijke inzet van de toenmalige predikant bleven de kerk en enkele huizen benedendams voor algehele vernietiging gespaard[10]. Vermoedelijk om deze goederen bij voorbaat aan eventuele plundering te onttrekken werden de lichtkronen, psalmborden en andere zaken bij het voortduren van de oorlog in januari 1673 verborgen in tonnen per schip naar Dordrecht vervoerd, vanwaar deze kerkelijke bezittingen, toen het gevaar geweken was, na vijftien maanden weer werden teruggebracht. In het jaar 1830 was een ingrijpende restauratie van het kerkgebouw noodzakelijk[11]. Spoedig daarna, nl. in 1837 werden achter de toren met 22 elsen palen onderheide steunberen aangebracht, waarin ongeveer 44.000 stenen werden verwerkt[12]. In 1858 kwam een aanzienlijke uitbreiding van de kerkekamer tot stand.

Hoewel reeds in 1715 brandveiligheidsvoorschriften golden (o.a. doordat de kerkmeesters vanwege schout en schepenen verplicht waren zeven leren brandemmers en een ladder in het kerkgebouw aanwezig te hebben en te onderhouden) werd het kerkgebouw in de nacht van 3 op 4. april 1953 door brand, verwoest. Alleen de muren bleven overeind, het orgel was tot een massa lood op de kerkvloer samengesmolten. Bij de herbouw werd bij het koor een nieuw gedeelte aangebouwd. Van de lichtkronen hangt thans nog een oorspronkelijk exemplaar in de kerk, terwijl later nog twee andere na restauratie weer te Vianen dienst konden doen. In november 1955 werd de geheel gerestaureerde kerk weer in gebruik genomen[13].

Kerkgebouw Tienhoven. Het Kerkgebouw te Tienhoven is gedeeltelijk dertiende eeuws. In 1876 werden in de kerk belangrijke 15e eeuwse muurschilderingen ontdekt. Helaas werden deze in 1885 weer overgepleisterd[14].

Pastorie. In het jaar 1596 werd op het kerkhof te Ameide met de stenen van het afgebroken H. Geesthuis benedendams een nieuwe predikantswoning gebouwd[15]. Kennelijk is de pastorie bij de gebeurtenissen van 1672 zo zwaar beschadigd, dat van herstel moest worden afgezien. Nadat de inboedel van de predikant een tijdlang bij zekere Jan Prinsen van der Aa had opgeslagen gelegen kon het "van de armen" aangekochte huis, dat tot pastorie was "geappropriëert" door het predikantsgezin worden betrokken[16]. In het jaar 1907 was het nodig een nieuwe woning te zetten, waarvan de bouw werd aanbesteed op 15 september van dat jaar. Reeds in 1968 kwam weer een nieuwe pastorie tot stand, welke op het moment dat ik dit schreef nog niet in gebruik was genomen[17].

Zegel. Het kerkzegel van de Hervormde gemeente stelt voor de lelie onder de doornen, met het omschrift "UT LILIUM INTER SPINAS".Onderaan: “ECCLESIA AMEYDANA ET TIENHOVIENSIS”[18].

O R G A N I S A T I E

Kerkeraad. Vòòr 1612 verkoos en benoemde de kerkeraad zijn nieuwe leden (ouderlingen, diakenen en "aelmisseniers") zonder tussenkomst van derden. Gewoonlijk had de verkiezing plaats op 1 januari. Vanaf het jaar 1612 echter werden de heer Van Brederode op zijn bevel dubbeltallen aangeboden, waaruit hij een keuze deed. Na tweemaal geproclameerd te zijn, werden de verkozenen door de predikant in hun dienst bevestigd. In 1620 keerde men tot de oude regeling (van voor 1612) terug. In 1881 spraken de stemgerechtigde lidmaten zich uit voor het volgen van een nieuwe regeling, namelijk voor het verkiezen via een kiescollege door de gemeenteleden zelf.

Collatie. Het collatierecht werd uitgeoefend door de ambachtsheer van Ameide en Tienhoven vanaf de splitsing (1735) afwisselend door de heer van Ameide en die van Tienhoven. In 1854 betwistte een aantal manslidmaten de kerkeraad het recht een dubbeltal te formeren en dat ter electie aan te bieden. In 1901 legde mevrouw A. Nierstrass van Tienhoven geb. Donker Curtius te 's-Gravenhage het beroepingswerk geheel in handen van de kerkeraad [19]. Bij grondwetswijziging van 1922 kwam automatisch een einde aan het collatierecht dat voor Ameide tot dan werd waargenomen door de heer Van Stolk te Rotterdam.

Diakonie Tot 1623 waren de werkzaamheden verbonden aan de uitoefening van de kerkelijke armenzorg verdeeld over de diakenen en de aelmisseniers. De diakenen zamelden de giften in terwijl de "aelmisseniers" de uitdeling verrichtten. Zowel te Ameide als te Tienhoven waren twee diakenen werkzaam, terwijl in elk der beide plaatsen een "aelmissenier" met de uitdeling belast was. In eerdergenoemd jaar (1623) echter werden op voorstel van de predikant geen nieuwe "aelmisseniers" meer aangesteld, zodat de diakenen in het vervolg ook de uitdeling zouden verzorgen.

De oudste diaken voerde tot 1845 de administratie. Deze deed jaarlijk rekening ten overstaan van de kerkeraad. In 1845 werd de schoolmeester bereid gevonden "ter bevordering van orde en regelmaat" als boekhouder te fungeren. De inkomsten van de diakonie bestonden uit de opbrengst van collecten tijdens de kerkdienst en bij begrafenissen, renten en huishuur alsmede de opbrengst van de op verschillende plaatsen hangende armenbussen en het zgn. oortjesgeld. In 1817 was de diakonie wegens haar slechte financiële positie genoodzaakt de regering om een subsidie van f 1500,-- te verzoeken. De uitgaven hingen samen met de uitdeling in geld en natura (voedsel en kleding) en de zorg voor de bestedelingen. In 1763 werd de verstrekking van uniforme kleding ingevoerd, terwijl vanaf 1865 armen trachtte te bevorderen, door de uitbetaling der bedelingsgelden wekelijks na afloop van de godsdienstoefening in de consistoriekamer te doen plaatsvinden.

Verhouding diakonie tot de Heilige Geest- of huisarmenmeesters.

In het begin der zeventiende eeuw ontstonden er moeilijkheden tussen de diakenen en de H. Geestmeesters betreffende de taakverdeling. In een akkoord van 1653 werd bepaald, dat

a) de armenzorg in overleg tussen beide colleges zou geschieden

b) de kapitalen gescheiden zouden blijven

c) de armenbussen gemeenschappelijk zouden -zijn en de opbrengst ervan gedeeld zou worden.

In het jaar 1800 ging het huisarmenfonds over aan het fonds van "het generaale armen-bestuur". De leden van de Hervormde gemeente evenwel besloten, dat de "kristelijke handreiking", dus het diakonale werk op de oude voet voort zou gaan.

Kerkvooqdij. Hoewel Ameide en Tienhoven de kerkeraad, diakonie en het pastoriefonds sedert de Reformatie gemeenschappelijk hebben, is het beheer der kerkelijke goederen dezer plaatsen tot op de huidige dag gescheiden gebleven.

Kerkvoogdij Ameide. Ten tijde van de Republiek deed de administrerend kerkmeester, aangesteld door de heer, rekening ten overstaan van schout en schepenen. Ten laste van het door hem beheerde kerkefonds (voortzetting van de kerkfabriek van voor de reformatie) kwam het onderhoud van het kerkgebouw, de toren en het kerkhof en de kosten voor de eredienst. Toen door de staatsregeling van 1798 de inkomsten uit de kerkelijke goederen in gevaar kwamen, besloot de gemeente tot de instelling van een "Commissie tot Instandhouding van de Openbare Eredienst". Hoewel dit bestuur reeds bij brief. van 31 december 1809 de opvatting had onderschreven, dat de kerkelijke goederen en fondsen niet onder de burgerlijke administratie behoorden, ging dat beheer pas in 1821 over op de kerkvoogden (kerkelijke functionarissen). Hierdoor werd uitvoering gegeven aan de bepalingen van het "Reglement op de Administratie der Kerkelijke Fondsen bij de Hervormde Gemeenten in de Provincie Holland (Zuidelijk gedeelte)” (K.B. van 12 november 1819, nr 65). Bij Koninklijk Besluit van.20 februari 1821, nr 16 werden te Ameide 5 kerkvoogden, 6 notabelen en 6 plaatsvervangers aangesteld, terwijl als gevolg van dit besluit de kerkmeesters hun werkzaamheden beëindigden. In het jaar 1869 verklaarden de stemgerechtigde lidmaten zich voor een vrij beheer en onderwierpen zich dus niet aan het Algemeen Reglement op het Beheer.

Kerkvoogdij Tienhoven. Doordat geen archiefstukken van de kerkmeesters van Tienhoven bewaard zijn ,gebleven, kan over-het beheer aldaar slechts weinig worden medegedeeld. Het is niet waarschijnlijk, dat de regeling daar aanzienlijk zou hebben verschild van die te Ameide. Bij Koninklijk Besluit van 20 februari 1821, nr 16 werden 3 kerkvoogden, 6 notabelen en 6 plaatsvervangers benoemd. Ook in Tienhoven werd bij besluit van de stemgerechtigde lidmaten van 28 mei 1869 gekozen voor een vrij beheer.

Pastoriefonds. De inkomsten van het pastoriefonds bestonden vanouds uit de opbrengst van de tienden, van een collecte in de Tienhovense kerk, van de impost op de paarden en doodkisten, terwijl nog een tijdlang het zoutgeld werd geïnd en, de Staten van Holland en Westfriesland bij resolutie van 5 oktober 1756 besloten "de pastorie" jaarlijks een subsidie toe te kennen. De grove, smalle en krijtende tienden van de twee pastorieblokken (een oost- en een westblok) werden evenals andere inkomsten verpacht. Bij besluit van 6 augustus 1850 werd de afkoop van dit recht door de tiendplichtigen (voor een bedrag van f 3000,--)

door de beheerders van het Fonds aanvaard. Het recht op de paarden en veulens ontleende het fonds aan de ordonnantie van Vrouwe Amelia van Lippe, Vianen en Ameide d.d. 27 ,september 1699. Bij deze ordonnantie was bepaald, dat voor ieder paard dat op de jaarlijkse paardenmarkt zou worden aangevoerd aan het pastoriefonds een stuiver moest worden betaald, voor een veulen een halve stuiver, de inwoners van Ameide en Tienhoven daarvan uitgezonderd. Het recht op de doodkisten dateerde van 13 september 1665, toen de Vrouwe van Brederode het aan de pastorie vergunde. Voor rekening van het fonds kwam het traktement van de predikant en de koster-schoolmeester, evenals het onderhoud van hun woningen en het schoolgebouw. Met ingang van 1 april 1805 werd het predikantstraktement (f 625,-- per jaar) ingevolge resolutie van het Departementaal Bestuur van Holland van 12 november 1805 betaald door het Geestelijk Kantoor te Delft. Met ingang van augustus 1821 is het pastoriefonds begonnen met het geven van aanvullingen op het overheidstraktement. Vanaf 1885 worden deze toelagen gerestitueerd door de kerkvoogdijen van Ameide en Tienhoven. Met de overdracht van school en onderwijzerswoning aan het gemeentebestuur bij akte verleden voor notaris G. Bodde te Ameide op 22 september 1841 eindigde de onderhoudsplicht voor dat gebouw.

A R C H I E F

Kerkeraad/Diakonie. Uit de notulen van de kerkeraad blijkt, dat de archivalia in 1646 ten huize van de predikant waren In dat jaar stelde ds Auricanus nl. voor de stukken te bergen in de "griffiecamer". De leden van de kerkeraad drongen er echter op aan, dat de predikant als te voren de stukken in zijn "comtoir" zou bewaren. De predikant stemde daarin toe, op uitdrukkelijke voorwaarde, dat wanneer de "schriften door brant of andersins quamen te verongelucken" hem zulks niet zou werden verweten. In 1778 werd de archiefkist overgebracht naar de consistoriekamer. In 1781 besloot de kerkeraad gevolg te geven aan een resolutie van de Zuidhollandse Synode van 1780, handelend over de berging van de archieven in gesloten kisten of kasten en de bewaring van de bijbehorende sleutels. Er werd een commissie van vier uit de kerkeraad gevormd, belast met het scheppen van enige orde in de kist, welke "door opeenstapelinge van oude en nietswaardige papieren in eene staat van disorde was". Bij nader inzien vond men het toch beter de "ordening" in aanwezigheid van de gehele kerkeraad te doen plaatsvinden, hetgeen geschiedde op 4 december 1781.

Nadat ingevolge een resolutie van de staten van Holland en Westfriesland van 15 juni 1792 dubbelen van de doop- en trouwboeken waren aangelegd, werden deze in augustus van datzelfde jaar op de gecombineerde secretarie van de beide heerlijkheden gedeponeerd, doch reeds twee jaar later teruggehaald en in de kerkeraadskast in de consistoriekamer geplaatst. Reeds in 1688 gold een legesregeling voor het bekomen van extracten uit de kerkelijke doop-. en trouwregisters., nl. 6 stuiver ten behoeve van de armen en voor het uitschrijven van iemands attestatie 2 schellingen. In 1828 betaalden de meer-gegoeden tot dat doel 50 c. en de minder-gegoeden 25 c., de overigen niets.

Kerkvoogdij Ameide. Volgens een oude archiefinventaris (in het oud-archief der burgerlijke gemeente) berustte het archief van de kerkmeesters in 1759 op het stadhuis. Evenals nu, was de oudste aanwezige jaarrekening, die van 1667; terwijl ook toen reeds die van 1697 - 1699 ontbrak. De in 1759 vermiste rekening van 1711 - 1712 is nu wel aanwezig. In 1821 werden de stukken "volgens oud gebruik ter secretary in bewaring" onder inventaris overgedragen aan de kerkvoogden, onder verklaring van de gemeentesecretaris, dat "na het naauwkeurigst onderzoek geene andere of meerdere effecten-, charters, rekeningen, of wat dies meer is, de kerk van Ameide toebehorende, ter secreatarij van Ameide gevonden, of' onder mij berustende te hebben, met beloften, ingeval nog het een en ander, waarin het zelve zouden kunnen of, mogen bestaan aan de kerk van Ameide toebehorende, door mij mogt worden ontdekt daarvan nadere op en overgave te zullen doen". Dat de overdracht verre van volledig was, ook voor .wat betreft de archivalia van het pastoriefonds toont de inventaris aan.

In 1835 verkeerde de archiefkist in "hoogst vervallen staat". In 1882 werd (weer ?) een nieuwe kist met dubbele sluiting gemaakt. In antwoord op een door het Provinciaal College van Toezicht ingestelde enquete deelde de kerkvoogdij in 1902 mede, dat het archief ongeordend was en geborgen in een kast in de consistoriekamer, behalve de stukken van na 1820, die zich ten. huize van de presidentkerkvoogd bevonden. Vele archivalia gingen ongetwijfeld in de loop der tijden verloren, zo werd in 1672 een grafregister vermist. Reeds in een ordonnantie van 1607 was de kerkmeesters voorgeschreven, aantekening te houden van de datum van het begraven der doden, zodat zou zijn na te gaan, wanneer de kerk over de graven zou kunnen beschikken.

Pastoriefonds. Volgens de hiervoor reeds genoemde archiefinventaris van 1759 waren toen op het stadhuis ook nog stukken betreffende de verpachting van de pastorietienden over 1645 - 1650. Deze zijn niet meer aanwezig. Ook toen was de oudste rekening die van 1665. Het in 1819 aangelegde contra-notulenboek is onvindbaar. Op 24 mei 1821 werden de archivalia van het pastoriefonds door de rentmeester aan de nieuwe beheerders, de gezamenlijke kerkvoogden van Ameide en Tienhoven, overgedragen. Ook nu wordt verklaard dat geen stukken zijn achtergehouden en zo er nog gevonden mochten worden, deze alsnog worden overgedragen. Zo wordt in de bij die gelegenheid samengestelde inventaris opgemerkt, dat de rekening van 1805 nog niet gevonden is. De heer Hingman heeft deze en nog andere stukken bij zijn inventarisatie van het gemeentearchief van Ameide en Tienhoven aan het eind der vorige eeuw, wel aangetroffen en met andere stukken betreffende de kerk en het onderwijs samengebracht in inventarisnummer 67. Dat de kerkelijke archieven de kerkbrand van 1953 overleefden is te danken aan het feit, dat de kisten, waarin zij geborgen waren op de zolder van de pastorie stonden. Bij het inspectiebezoek, dat de heer H. Brouwer op 6 april 1962 aan de gemeente bracht, stonden de archiefkisten in de consistoriekamer. Bij dit bezoek bleek, dat een verzorging ten hoogste gewenst was. Toen de stukken in 1967 door de archivaris werden afgehaald, waren zij inmiddels geplaatst in enkele stalen kasten in de hal van het kerkgebouw. Na de inventarisatie, die nu op het bureau van de archivaris van de Nederlandse Hervormde Kerk te ’s-Gravenhage is voltooid, blijft de materiële verzorging dringend noodzakelijk.

V E R A N T W O OR D I N G

Om der wille van de uniformiteit is bij de inventarisatie uit gegaan van het schema uit de Richtlijnen[20]. De kerkelijke registers, die op het Algemeen Rijksarchief aanwezig zijn, zijn evenals de stukken, die in het oud-archief van de burgerlijke gemeente berusten, zonder nummer in de inventaris opgenomen. Zoals op het Bureau voor de Archieven der Nederlandse Hervormde Kerk gebruikelijk is, is telkens met het eerste stuk uit het archief van een in de inventaris volgend college, de nummering met een nieuw honderdtal aangevangen, zodat bv. het eerste archiefstuk van de diakonie nummer 101 draagt.

J.G.J. van Booma.

E I N D N O T E N

[1] F.A.L. Ridder van Rappard en S. Muller Fz., Verslagen van Kerkvisitatiën in het Bisdom Utrecht uit de 16e eeuw (Werken uitgegeven door het Historisch Genootschap, 3e serie, dl 29), Amsterdam 1911.

[2] Zie ook: Algemeen Rijksarchief, Archief Heren Van Brederode, inv. nr 100 (inventaris in: V.R.O.A. 1909, blz. 113).

[3] A.L.E. Verheyden, Le Conseil des Troubles. Liste .des Condamnés 1567 - 1573, Brussel 1961.

[4] Nog in 1567, vgl. inventarisatie d.d. 1567 mei 13 van de bezittingen van Hendrik van Brederode. In: De Navorscher 1872, blz. 79/80.

[5] Zie 4).

[6] Zie J.G.J. van Booma, Inventaris van de Archieven der Hervormde Gemeente Meerkerk, gestenc., ‘s-Gravenhage 1968, blz. 1.

[7] Acta en andere stukken betreffende deze "classis" in inv.nr 38 van het oud-synodaal archief.

[8] Voorlopige lijst der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst, dl 3, blz. 6, 's-Gravenhage, 1915.

[9] Bijlage I.

[10] Inv.nr 278 en J. Kok, Vaderlandsch Woordenboek, dl 3, 756 (2e dr.) Amsterdam, 1186.

[11] Bijzonderheden in de notulen van de kerkvoogdij en de bijlagen tot de kerkvoogdijrekening.

[12] Zie: Bijlagen tot de kerkvoogdijrekening.

[13] Deze inlichtingen ontving ik van de heer C. van Es, kerkvoogd te Tienhoven.

[14] Zie inv.nrs 301 en 307.

[15] Zie het betreffende stuk in inv. nr 67 van het oud-archief der burgerlijke gemeente.

[16] Zie oud-archief der burgerlijke gemeente, armenrekening 1672-1977.

[17] Zie inv. nr 460.

[18] Van Alphens Nieuw Kerkelijk Handboek (1878), 195.

[19] Zie inv. nr 10.

[20] Richtlijnen inzake de zorg voor de archieven der Nederlandse Hervormde Kerk, ‘s-Gravenhage 1966, blz. 23 e.v.

 
   
 
© 2005 - Alle rechten voorbehouden - Site ontwerp:  Joost Groenendijk